Waarom Jezus iedereen kon genezen en wij niet
- Leo van Wijngaarden

- 28 feb
- 1 minuten om te lezen
In de evangeliën lezen we:
“En grote menigten volgden Hem, en Hij genas hen allen.” (Mattheüs 12:15)
Dat roept een eerlijke vraag op:
Als wij Hem volgen en in Zijn Naam bidden, waarom zien wij dan niet altijd hetzelfde?
Jezus Zelf geeft een belangrijk inzicht:
“De Zoon kan niets van Zichzelf doen, tenzij Hij dat de Vader ziet doen; want wat Die doet, dat doet ook de Zoon op dezelfde wijze.” (Johannes 5:19)
Hij leefde en handelde in volmaakte eenheid met de Vader. Zonder beperking. Zonder gebrokenheid. Zonder verdeeldheid.
En over Hem staat geschreven:
“Want Hij Die God gezonden heeft, spreekt de woorden van God, want God geeft Hem de Geest niet met mate.” (Johannes 3:34)
Jezus had de Geest zonder maat. Zijn bediening was uniek: Hij openbaarde Zich als de Messias en bracht het Koninkrijk zichtbaar binnen. Zijn genezingen waren tekenen van dat doorbrekende Koninkrijk.
Wij hebben werkelijk de Heilige Geest ontvangen. Maar wij leven nog in de tijd tussen overwinning en voltooiing. Paulus schrijft:
“En niet alleen dit, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam.” (Romeinen 8:23)
De overwinning is behaald.
Maar de volledige verlossing van ons lichaam verwachten wij nog.
Daarom bidden wij voor zieken.
Daarom geloven wij dat God geneest.
Maar wij zijn niet de Messias.
Jezus openbaarde het Koninkrijk in volheid.
Wij leven in het “reeds en nog niet”.
Dat vraagt geloof — én nederigheid.




Opmerkingen